• Sander Keppel – “Een club is veel meer dan alleen voetbal”

    Al bijna een decennium is Sander Keppel een vertrouwd gezicht langs de velden van VV Maarssen. Wat begon als een helpende hand bij de benjamins, groeide uit tot een jarenlange betrokkenheid als trainer, begeleider en clubvrijwilliger. We spraken Sander over zijn eerste stappen bij de club, het belang van dorpsgevoel en waarom voetbal voor hem vooral draait om samen groeien.

    Sander, hoe ben jij eigenlijk bij VV Maarssen terechtgekomen?
    “Dat is inmiddels alweer zo’n acht of negen jaar geleden. Mijn jongste zoon begon toen bij de benjamins. Michiel Wissenburg stond daar in z’n eentje voor een enorme groep kleine gasten. Op een gegeven moment heb ik mijn vinger opgestoken om te helpen. Vanaf dat moment ben ik van de ene klus in de andere gerold – en vooral heel veel plezier gaan beleven aan de club.”

    Je rolde dus vrij snel het vrijwilligerswerk in. Wat deed je in het begin?
    “Dat was vooral begeleiden. Bij die leeftijden zijn trainingen eigenlijk vooral spelletjes. Je probeert die jochies en meisjes een beetje in het gareel te houden, ze te laten lachen, af en toe in een rijtje te zetten en aan het eind weer netjes bij de ouders af te leveren.”

    Ben je daarna ook trainer geworden van je eigen zoon?
    “Niet meteen. Mijn jongste heeft eerst twee jaar gevoetbald en is toen even gestopt. Mijn oudste hockeyde, maar had daar na een half jaar spijt van en wilde alsnog naar VV Maarssen. Toen zijn we samen gegaan. Er waren toen al trainers. Pas na een maand of zes ben ik zelf ook als trainer gestart. Dat is nu ongeveer zes jaar geleden.”

    Welk team train je op dit moment?
    “JO14-3.”

    Was er een moment waarop je dacht: ik wil me echt inzetten voor deze club?
    “Zeker. Ik ben opgegroeid in Nunspeet, een klein dorp op de Veluwe. Daar ben ik op mijn achttiende gillend weggegaan omdat ik het benauwend vond dat iedereen elkaar kende. En nu voed ik zelf twee jongens op in een dorp, en vind ik dat juist heerlijk. In Maarssen is er zóveel mogelijk voor kinderen: sport, school, clubjes. En die club speelt daarin een enorme rol. Je leert veel mensen kennen, je helpt elkaar, je doet het samen.”

    Dat klinkt alsof je nu anders naar het dorpsgevoel kijkt.
    “Absoluut. Ik herinner me nog dat onze oudste voor het eerst alleen van de gymzaal naar de BSO mocht fietsen. Wij waren hartstikke zenuwachtig. En precies die middag kregen we een telefoontje dat hij niet was aangekomen. Uiteindelijk belde een moeder die we kenden van voetbal: zij had hem gevonden in Park Goudestein, omdat een brug eruit lag en hij niet meer wist waar hij heen moest. Dat moment dacht ik: wat fijn dat mensen elkaar hier kennen en helpen.”

    Zitten er nog spelers uit de begintijd bij je huidige team?
    “Eentje. Toen ze naar het grote veld gingen is er flink gehusseld. Maar veel jongens uit die oude teams zie ik nog regelmatig. Die hebben echt een band opgebouwd. Het is altijd meteen weer gezellig, en dat is precies wat je ze gunt.”

    Je traint twee keer per week, door weer en wind. Hoe blijf je gemotiveerd?
    “Ik redeneer altijd twee kanten op. In augustus, als je weer in je korte broek op het veld staat, weet je: over een paar maanden sta ik hier in de kou en regen. En als het dan koud en nat is, denk ik: straks sta ik weer in het zonnetje. Wat vooral motiveert, is dat er altijd dertien tot vijftien jongens staan. Die komen er toch maar mooi op af.”

    Doe je dat alleen?
    “Nee, de training doe ik samen met Tarik Kilicaslan en Klaske de Vries is de teamleider. Met z’n drieën proberen we er een leuk jaar van te maken.”

    Wat is een hoogtepunt dat je met een team hebt meegemaakt?
    “Dat was het laatste jaar van een van mijn eerste teams, toen ze nog op een half veld speelden. Het was geen prestatieteam, maar ze groeiden enorm naar elkaar toe. In dat laatste jaar werden ze twee keer kampioen en één keer tweede. Niet het winnen was het belangrijkste, maar hoe ze als team functioneerden. Ze wisten wie waar goed in was, hielpen elkaar en motiveerden elkaar. Op mijn werk kost het soms moeite om volwassenen zover te krijgen. Als je dat dan ziet bij jongens van tien of elf, word ik daar heel vrolijk van.”

    Zijn er rituelen of tradities ontstaan?
    “Ja, vroeger hadden we ‘het toetje van opa Willem’. Dat was een pittige oefening met veel sprinten. Iedereen had er een hekel aan, maar vond het ook hilarisch. In het huidige team doen we soms burpees na een gezapige warming-up. Niet omdat het leuk is, maar omdat het werkt – en ze doen het toch.”

    Zie je jezelf volgend jaar weer trainer zijn?
    “Ja, als het aan mij ligt wel met dit team. Wat ik zo mooi vind aan voetbal is dat je over jaren een band opbouwt. Dat vertrouwde gevoel, jaar in jaar uit samen op pad. Dat gun ik deze jongens ook, voordat ze straks allemaal gaan studeren en andere kanten op gaan.”

    Heb je nog dromen of wensen met dit team?
    “Niet zozeer sportief. Ik hoop vooral dat ze het belangrijk blijven vinden om te bewegen, om buiten te zijn en niet alleen op een scherm te zitten. Als ze zelf bewuster met hun gezondheid omgaan, dan is dat voor mij al winst.”

    Tot slot: heb je al een trainersjas van de club?
    “Die is me aangeboden, maar ik heb ’m nog niet aangenomen. Trainers hoeven voor mij niet te veel op te vallen. Ik vind het wel mooi dat de club erin investeert.”

    Zou je zelf nog een trainerscursus willen doen?
    “Eigenlijk wel. Ik doe nu ook maar wat, met goede bedoelingen. Maar ik kan me goed voorstellen dat je met wat scholing beter wordt – in prestaties, teamdynamiek en aandacht voor jongens die het soms wat moeilijker hebben.”